James 2

MR. DR. KAREL FREDERIK OTTO JAMES (1899-1976)
BURGEMEESTER VAN GOUDA 1938-1964

Op 77-jarige leeftijd overleed op 19 oktober 1976 onverwachts in zijn woning „De Napoleonshuisjes” te Amerongen dc oud-burgemeester van Gouda mr. dr. K.F.O. James.
Mr. dr. Karel Frederik Otto James, die in Gouda een grote faam genoot als burgemeester, werd te Dordrecht geboren op 15 juni 1899, waar zijn vader artillerieofficier was. Het beroep van artillerieofficier bracht met zich mede dat er diverse keren van garnizoensplaats verwisseld moest worden. Zo verhuisde Karel James achtereenvolgens naar Schoonhoven, Utrecht, Den Helder en Den Haag.
Na in Den Haag geslaagd te zijn voor het eindexamen H.B.S., deed Karel James staatsexamen als voorbereiding voor zijn studie rechten aan de rijksuniversiteit te Leiden. Na voltooiing van zijn studie in de Rechten, promoveerde hij in 1925 in de Staatswetenschappen op het proefschrift „Het Saarbewonerschap”. De heer James trad na het behalen van zijn meesterstitel in dienst van de gemeente Rotterdam. Hij werd daar chef van het kabinet van de burgemeester en later ook chef van de afdeling Havenbeheer. In 1927 huwde hij met A.A. von Woringen, die reeds in 1929 overleed.
De portretschilder Hendrik Johannes Haverman schilderde haar portret, dat zich thans in het Stedelijk Museum „Het Catharina-Gasthuis” bevindt. In 1933 hertrouwde mr. dr. James met M. van der Hoop.
In 1938 volgde zijn benoeming tot burgemeester van Gouda, waar hij burge¬meester Gaarlandt opvolgde.
Bijzonder dankbaar betoonde de heer James zich steeds voor de wijze lessen, die hij van de Rotterdamse burgemeester Drooglever Fortuin mocht ontvangen.
Burgemeester James met een sterk ontwikkeld gevoel voor geschiedenis en met een grote belangstelling voor architectuur en beeldende kunst was bij zijn komst in Gouda pijnlijk getroffen door de deplorabele toestand, waarin zich het laat-gotisch stadhuis bevond.
Hij ging zich onmiddellijk niet grote voortvarendheid in de bouwgeschiede¬nis van zijn stadhuis verdiepen. Hij las over de ingrijpende verbouwing die op het einde van de zeventiende eeuw plaats vond, waardoor het gebouw „gemoderniseerd” en helaas constructief danig verzwakt werd.
Daarna was er niet zo veel meer gebeurd, totdat in 1883 de gevels van het in slechte staat verkerende stadhuis van hun in de zeventiende eeuw aange¬brachte verflagen werden ontdaan en de zeer noodzakelijk geworden restauratie van de voorgevel in 1884 „tot een goed einde was gebracht”.
Dat goed einde moet met een korreltje zout worden genomen omdat in die dagen het restaureren nog maar in de kinderschoenen stond.
Een algehele restauratie bleek toen in verband met „de hoge kosten in de tegenwoordig minder gunstige omstandigheden van ‘s Rijksfinanciën niet mogelijk. Noodgedwongen moest men zich beperken tot het uitvoeren van enige onvermijdelijke reparaties van ramen en muren en het laten aanbrengen van een dunne laag cement op de muren.
Toch bleef men aan restaureren denken. In 1917 had de gemeentearchitect een restauratieplan opgesteld, dat begroot was op f 84.000,— en dat door Den Haag welwillend ontvangen werd. Aan de gemeenteraad werd het verzoek gedaan een beginseluitspraak te geven, opdat men in de jaren 191 7-18 met de meer dan noodzakelijk geworden restauratie kon beginnen. De ge¬meenteraad deed de gevraagde en gewenste uitspraak, maar verder gebeurde er niets. Een half jaar later werd onder voorzitterschap van burgemeester Mijs de zaak opnieuw aanhangig gemaakt, maar weer gebeurde er niets.
In 1926 deden Burgemeester en Wethouders nogmaals een poging om tot restauratie over te kunnen gaan. In verband hiermede vroegen zij de Rijkscommissie voor Monumentenzorg een restauratieplan te ontwerpen. Het begint eentonig te worden, want weer gebeurde er niets.
In 1937 kwam het hete hangijzer van het stadhuis weer aan de orde bij de behandeling van de gemeentebegroting. Er werd nu geprobeerd het „Werkfonds 1934” voor de restauratie te interesseren en om die wijze van de grote werkeloosheid te kunnen profiteren. Maar andere objecten in de stad werden urgenter geacht. Bovendien had het Rijksbureau voor de Monumen¬tenzorg grote moeite met de restauratie van de zij- en achtergevels in verband met de gewijzigde indeling van het gebouw in de zeventiende eeuw en waarbij ook de gotische spitsboogvensters vervangen werden door rechthoekige ramen.
Twee maanden na zijn benoeming tot burgemeester van Gouda begon de heer James de restauratieplannen opnieuw aan te pakken en met succes. In goede samenwerking met de gemeenteraad werd een eerste bedrag van f 750,- gevoteerd om de aanloopkosten voor het maken van een nieuw restauratieplan te kunnen bekostigen.
Ir. A. van der Steur te Rotterdam werd als architect aangezocht. Toen in maart 1941 de officiële opdracht voor het maken van een voorlopig plan met een ontwerpschets en bijbehorende begroting aan Ir. Van der Steur werd gegeven, verbleef burgemeester James als gedetineerde in de strafgevangenis te Scheveningen wegens belediging van de „Wehrmacht”.
In mei 1945 kon er gelukkig weer op de ingeslagen weg worden voortgegaan. Na omvangrijke en moeilijke voorbereidingen was het dan eindelijk zo ver. Op 25 april 1947 werd het restauratieplan officieel goedgekeurd. Het is hier niet de plaats om uitvoerig over de verdere gang van zaken uit te weiden. Dit is trouwens in een uitvoerig opstel door burgemeester James zelf gedaan. Maar enige saillante feiten mag ik hier toch niet onvermeld laten. Het eerste moeilijke punt was dat van de financiën. Monumentenzorg wilde in verband met de schaarse geldmiddelen de restauratie een langzaam verloop geven. De burgemeester pleitte voor een snelle afwikkeling, dit in verband met de bouwvallige toestand van het gebouw. Hiervoor was een hernieuwd contact met de Haagse instanties noodzakelijk. Geen gemakke¬lijke of aangename taak. Maar burgemeester James zette door en bracht hij wijze van zwaar geschut tijdens een van de conferenties een in een jutezak gewikkeld bewijsstuk voor de onhoudbare toestand letterlijk op tafel, namelijk een totaal vergaan stuk van een van de draagbalken uit het stadhuis.
Dit tastbaar argument overtuigde de heren. Het werk kon nu in sneller tempo ter hand genomen worden.
Na het nemen van de financiële barrière presenteerde zich een tweede struikelblok, namelijk de restauratie van de achtergevel. Tot 1693, het jaar van de grote verbouwing, was de achtergevel altijd een trapgevel geweest. Hier waren overtuigende bewijzen voor. Tijdens de verbouwing werd de achtergevel in een tuitgevel veranderd.
Na de aanvankelijke toestemming om van de tuitgevel weer de oorspronke¬lijke trapgevel te maken, besliste in december 1948 Monumentenzorg plotseling en zeer inconsequent, dat ondanks de opnieuw aangebrachte gotische vensters de gevel een tuitgevel moest blijven.
De Goudse gemeenteraad weigerde nu aan de restauratie van de zeventiende eeuwse tuitgevel zijn nodige medewerking te verlenen.
Nu was het niet Leiden, maar Gouda dat in last was. De restauratie werd geruime tijd stilgezet, totdat de staatssecretaris van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen het verlossende woord sprak. Het Goudse stadhuis zou zijn oorspronkelijke trapgevel weer terugkrijgen.
Zo kwam de restauratie toch nog net op tijd gereed, namelijk tegen de datum, die door 11.M. de Koningin voor de feestelijke inwijding van het stadhuis was bepaald.
De restauratie van het oudste in ons land nog aanwezige gotische stadhuis vond plaats in de jaren 1946-1952. Dank zij de voortvarendheid en het taai doorzetten van burgemeester James bleef het fraaie monument voor Gouda en Nederland behouden. Het was tevens kenmerkend voor het beleid van de burgemeester. Want niet alleen het stadhuis, maar ook de stad zelf had in de loop der tijden bijzonder veel van haar glans verloren. Gouda kreeg door het noeste werken van de heer James weer een eigen gezicht en begon in de rij van de Nederlandse steden weer mee te tellen.
Het sterk vermolmde stuk balk, waarmede de burgemeester naar Den Haag toog, wordt thans als een kostbaar relikwie in een kleine vitrine op het stadhuis bewaard.
De waardevolle gobelins in de raadszaal — thans trouwzaal — in de zeventiende eeuw door David Ruffelaer te Gouda geweven, verkeerden evenals het gehele stadhuis vóór de oorlog in een deplorabele toestand en moesten noodzakelijk gereinigd en hersteld worden.
In verband met dc oorlogsdreiging werden de tapijten van de wanden afge¬nomen en met een door Delftse professoren samengesteld wasmiddel grondig schoongemaakt en daarna veilig opgeborgen, in afwachting van een volledige restauratie. In 1948 belandden zij in het restauratieatelier van het Rijksmuseum te Amsterdam, waar onder deskundige leiding de restauratie zou plaats vinden. De organiserende en drijvende kracht achter dit alles was steeds weer burgemeester James, die in nauwe samenwerking met het ge¬meentebestuur ervoor zorgde dat door de gemeente Gouda drie dames konden worden aangesteld voor het restaureren van de gobelins.
De wereldberoemde Goudse Glazen dienden eveneens veilig te worden opgeborgen. Na correspondentie met Reims en Chartres werden in overleg met de kerkvoogden de gebrandschilderde ramen uit de St. Janskerk verwijderd en de glaspanelen ervan per raam in kisten verpakt.
Deze werden aanvankelijk in diverse kaaskelders in de Krimpenerwaard opgeborgen en later overgebracht naar door het Rijk beheerde schuilkelders voor kunst.
Na de oorlog konden alle Glazen weer herplaatst worden. De reeks werd in 1948 aangevuld met het Bevrijdingsraam van de glazenier Charles Eyck, met wie de burgemeester nauwe contacten onderhield.
Het waren bijzonder moeilijke beginjaren voor de heer ,James, extra verzwaard door de oorlog.
Zo moest er in 1940 in zeer korte tijd een organisatie worden opgebouwd voor de opvang van oorlogsvluchtelingen, die door Gouda uit de Betuwe moesten worden afgehaald. Tot overmaat van ramp werden het drie à vier maal zoveel als aangekondigd was.
Kort na de capitulatie van ons land werd burgemeester James wegens belediging van de Wehrmacht door Duitse officieren verhoord en op 7 juni 1940 gearresteerd en „verhaftet” in de gevangenis te Scheveningen, omdat hij tegen een Duitse militair, die een Nederlands uniform droeg, gezegd had: „Ich pfeife auf die Deutsche Ehre”.
Later bleek dat genoemde militair van een onervaren Nederlandse soldaat het uniform had gekregen omdat bij het neerschieten van zijn vliegtuig de Duitser zijn uniform door brand had verloren.
Burgemeester James werd tot 1 jaar gevangenisstraf veroordeeld, waarvan 8 maanden eenzame opsluiting en zonder zijn geliefde boeken.
De laatste maanden bracht hij met vier gedetineerden in een eenpersoonscel door.
Op 7 juni 1941 werd hij uit de gevangenis ontslagen en in september van dat jaar uit Gouda verbannen. Bij verre familieleden in Rotterdam vond het echtpaar James onderdak. Om gedwongen tewerkstelling in Duitsland te ontlopen was de heer James in Rotterdam als advocaat werkzaam, zo nu en dan onderbroken door onderduikperioden als er gevaar dreigde om als gijzelaar opgepakt te worden. Hierdoor bracht men geruime tijd door bij vrienden in de Betuwe. Hier tekende de heer James, om toch wat nuttigs om handen te hebben, de grote wapentableaux met de wapens van Goudse burgemeesters uit het verleden. Deze tableaux vonden na de restauratie een waardige plaats in het stadhuis.
In de Betuwe en elders werden en passant oorlogsinformaties ingewonnen en via ondergrondse kanalen naar Engeland gezonden.
Op de dag van de bevrijding trad de heer James, weliswaar broodmager geworden, weer als burgemeester van Gouda in functie.
Bijzondere belangstelling en een grote betrokkenheid toonde burgemeester James steeds voor de ontwikkeling van de Stedelijke Musea te Gouda. Samen met de toenmalige conservator van de musea, de heer G.C. Helbers, ontwikkelde hij de plannen om van het voormalige Catharina-Gasthuis, dat in de oorlog onder meer als opvangcentrum dienst deed, het hoofdgebouw van de Goudse Musea te maken.
Naast zijn vele bemoeienissen op cultureel terrein ging het gewone werk, dat in de jaren direct na de oorlog zeer zwaar was, gewoon door. Tot de vele bemoeienissen op cultureel gebied moet onder meer de ver¬fraaiing gerekend worden van het gerestaureerde stadhuis met tal van beeld¬houwwerken, zoals het bevrijdingsmonument aan de westgevel „Oorlog en Bevrijding” door prof. L.O. Wenckebach, verschillende gebeeldhouwde reliëfs van Philip ten Klooster, de serie gotiserende beelden in de voorgevel eveneens werk van Ten Klooster, de talrijke gebrandschilderde ramen in het stadhuis van H.J.M. Basart en het fraaie wandtapijt „De Goudse stedemaagd” door Jaap Bouhuys, terwijl ook het klokkenpoppenspel niet onver¬meld mag blijven. Verder zorgde burgemeester ervoor dat tal van sculptures een plaats kregen in het op dit gebied zo arme Gouda. De burgemeester beijverde zich onafgebroken het gemeentebestuur en de burgerij te interes-seren voor zijn restauratieplannen ten behoeve van belangrijke Goudse monumenten.
Zo werden onder meer grondig gerestaureerd het Stadhuis, het Catharina-Gasthuis, de Moriaan, het Lazaruspoortje herbouwd, en de Waag in zijn oude glorie hersteld. Opvallend was ook zijn grote aandacht voor details. Grote inspanning getroostte de burgemeester zich om de gemeentegrenzen uitgebreid te krijgen, een feit dat eerst in 1962 gerealiseerd werd Deze ongeveer vijftien jaar durende kwestie vertroebelde het contact met de nabuurburgemeesters, waardoor de samenwerking in streekverhand maar summier bleef. Burgemeester James ondervond dit als een bijzonder pijn¬lijke ervaring.
Burgemeester James, die zich als jonge man voor en in zijn studententijd bezig had gehouden met tekenen en schilderen, vatte deze kunstzinnige’ bezigheid weer op in de strafgevangenis te Scheveningen, waar hij de tijd doodde door onder meer portretten te tekenen van zijn celgenoten.
Wij zagen reeds, dat hij gedurende zijn onderduikperiode in de Betuwe twee grote tableaux tekende, gevuld met de wapens van graven, heren en burgemeesters van Gouda, 379 in getal, uit de periode 1361-1941. Van slechts twee burgemeesters kon hij de wapens niet meer achterhalen. Gedurende een rustperiode na een ernstige longoperatie, begon hij aan een tweede serie tekeningen, met name de portretten van Goudse burge-meesters, in zoverre de portretten als schilderij, gravure of foto te achterhalen waren. Hoewel van de meeste burgemeesters geen afbeelding te vinden was, slaagde burgemeester James er toch in van 29 ambtsvoorgangers een portret te tekenen.
Het zijn gevoelige en fijnzinnige tekeningen geworden, die eenvormig inge¬lijst thans de burgemeesterskamer in het stadhuis sieren.
Na deze reeks volgden de portretten van de ministers van Binnenlandse Zaken, de voorzitters van de 1ste en 2de kamer en de Commissarissen der Koningin van Zuid-Holland met de bedoeling op deze manier goodwill en belangstelling voor Gouda te kweken.
Veel werk verrichtte de burgemeester bij de tot standkoming van het Bleuland Ziekenhuis. Daar zowel het Itersonziekenhuis als het Diakonessen¬huis De Wijk niet meer als ziekenhuizen voldeden, werd onder leiding van de heer James door de Regenten en het Bestuur langdurig en naarstig gezocht naar een modus, waarin beide instellingen elkaar konden vinden in een soort fusie om zo tot een gezamelijke nieuwbouw te kunnen komen. Toen men na lang onderhandelen een oplossing had gevonden, moest nog naar een goede naam voor het nieuwe ziekenhuis gezocht worden, waarin de beide instellingen zich konden vinden. Omdat het hier toch in zekere zin over een bond tussen twee bestaande ziekenhuizen ging, stelde een geestigaard voor: het „James Bond Ziekenhuis”.
Het werd tenslotte het Bleuland Ziekenhuis naar de vermaarde in Gouda geboren prof. dr. Jan Bleuland (1756-1838). Achteraf gezien toch niet de gelukkigste naamgeving, daar dr. Bleuland niet lang in Gouda practiseerde en daarom als medicus niet zo’n grote betekenis had voor Gouda als bijvoorbeeld de medici dr. Ronsse en dr. Buchner.
De definitieve naamgeving vond uiteindelijk na het vertrek van burge¬meester James plaats en buiten diens bemoeiing.
Baanbrekend werk verrichtte burgemeester James op het terrein van de electriciteit- en gasvoorziening. Wegens zijn grote deskundigheid en zijn uitgesproken begaafdheid in het leiden van vergaderingen werd hij benoemd tot voorzitter van de G.G.Z.H. (Gemeentelijke Gasvoorziening Zuid-Holland) en later van de S.R.O.G. (Samengaan Regionale Organen Gas-voorziening). Daar de S.R.O.G. plannen ontwikkelde te gaan fuseren met de Vereniging Directeuren Gasfabrieken, vroeg men hem na zijn pensionering nog even aan te blijven. Dit „even” duurde tot 1974. Zijn bemoeienissen met de gas- en electriciteitvoorziening, bezorgde hem veel werk en zorg, maar ook grote voldoening, vooral ook omdat de Vereniging Directeuren Gasfabrieken hem tot „erelid” benoemde en dit als enige niet-directeur van een gasfabriek in den lande.

De grote liefde van burgemeester James voor de aanvankelijk zeer bescheiden Goudse Musea mag hier niet onvermeld blijven. De burgemeester begreep onmiddellijk het grote belang van een goed opgezet en geleid museum voor het eigen gezicht van een stad, die zich meer en meer naar buiten presenteerde. Hij stimuleerde en steunde krachtig het streven en de werkzaamheden van de directeur der Stedelijke Musea, (Ir. Jan Schouten, en was zelf onafgebroken tot aan zijn pensionering een voortreffelijk en, zoals later duidelijk zou blijken, een bijna onvervangbaar voorzitter van de museumcommissie en die zich bijzonder verheugde in de grote vlucht en faam, die de Goudse Musea namen, ondanks de zeer krappe financiën.
Na zijn pensionering in 1964 verdeelde de heer James zijn aandacht tussen „Gas en Cultuur”. Zo was hij betrokken bij de Provinciale Cultuur-bevordering, het Gemeentelijk Cultuurfonds — een dochter van de Bank voor Nederlandse Gemeenten, de Doornse Kunstkring, en adviseur bij het verlenen van kunstopdrachten. Verder tekende hij meer dan 200 portretten, aanvankelijk in zwart potlood, later met verschillende nuances sanguine.
Grote belangstelling had hij vervolgens voor werken van religieuze aard en geschiedenis. Hij maakte onder meer een speciale studie van de verhouding Engeland-Nederland in de achttiende, negentiende en twintigste eeuw. Ook de visie die men van uit verschillende landen op de Slag van Waterloo had, boeide dc heer James in hoge mate.
Juist toen hij over dit onderwerp met enige vrienden in een druk gesprek was gewikkeld, overviel hem plotseling de dood, waarmede een bijzonder werkzaam en vruchtbaar leven werd afgesloten.
De heer James was ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en werd in 1951 benoemd tot officier in het Legiocn van Eer. Ook werd hij begiftigd met het Commandeurskruis van de Belgische Orde van Leopold II en was hij officier in de Orde van de Eikenkroon van Luxemburg.
Verder werd hij onderscheiden met de erering van Solingen en was hij ereburger van Gouda.
Op 23 oktober 1976 namen zeer velen in de aula van het crematorium „Daelwijck” afscheid van mr. dr. K.F.O. James. De heer Chr. van Hofwegen, burgemeester van Gouda, schetste zijn voorganger als „een zeer bevoorrecht mens, die grote gaven bezat en deze ter beschikking stelde van anderen”.
De heer Van Hofwegen legde er verder de nadruk op, „dat de stad Gouda in rijke mate van de talenten van de heer James heeft geprofiteerd”. Ongetwijfeld zal de heer mr. dr. K.F.O. James de geschiedenis ingaan als één van de bekwaamste en stijlvolste burgemeesters van Gouda. Dc naam van burgemeester James Ieeft in Gouda onder meer voort in de naar hem genoemde Burgemeester Jamessingel.
Literatuur:
Mr. Dr. K.F.O. James, Jim: het groeide”, in Oudheidkundige Kring „Die Goude”, VII, 1952, 1. Oudheidkundige Kring „Die Goude”, XII, 1963.
Pieter A. Scheen, Lexicon Nederlandse Beeldende Kunstenaars 1750-1950, ‘s-Gravenhage, 1969, 547.
Goudsche Courant, 20 en 23 oktober 1976.
Mededelingen van Mevrouw M. James-van der Hoop.

 

Deze tekst komt uit het boek “Wie waren zij” door Dr. Jan Schouten



Comments are closed.