11 De Turfsingel

rew up ff
Turfsingel
11

De Turfsingel

Wie van de oude(re) Gouwenaars heeft als kind nooit langdurig voor de bestofte ruitjes gestaan van aardewerkfabriek Cornelis Jonker Zn. aan het middelste deel van de Turfsingel? Want voor en kort na de oorlog waren achter die kleine raampjes gedurende lange arbeidsuren de pottendraaiers te zien, die met veel vakmanschap hun bijzondere stiel beoefenden. En was het als kind niet spannend, om onder de eeltige handen van de die ambachtslieden, uit een ruwe homp klei de terracotta bloempotten en andere aardewerkprodukten te zien groeien – ogenschijnlijk eenvoudig werk, maar in feite heel knap voor het oog van de ongeoefende leek.
Voor de oorlog beschikte Cornelis Jonker aan de Turfsingel over twee grote ovens. Een oven met vier monden, waarin 367 kubieke meter aardewerk kon worden opgetast. En een oven met zes monden, die zelfs nog iets groter was. De ene oven had een produktie van 6500 kilo aardewerk, en de andere van 6700 kilo.
In die tijd kon Nederland nog niet bogen op het huidige effficiënte netwerk van aardgasbuizen. Zelfs stadsgas kon daarvoor (nog) niet worden benut.
Jonker gebruikte gewoon turf, en dat werd in de omgeving – Reeuwijk etc – in overvloed gesto­ken. Voor elke oven werden niet minder dan vijfduizend turven van gemiddeld 1 kilo per stuk aangesleept. Dat betekende vijf ton brandstof per oven.
Een snuffelaar in de oude Goudse archieven heeft eens opgesomd, wat er allemaal in die ovens van Jonker stond opgetast. Behalve bloempotten was dat vooral grof Gouds aardewerk. Dat bestond uit: koekepotten, komforen, Belze pannen, vuurtesten, bloembakken, Jacobapan­nen en waskommen – waarbij de maten sterk varieerden, en vanzelfsprekend ook de gewich­ten. Want het kleinste stuk aardewerk woog 1 pond, het zwaarste 10 kilo per stuk.
Het was de kunst om de temperatuur in de ovens van Jonker op te voeren tot de vereiste 970 graden. Het bereiken van dat punt werd door vaklieden goed in de gaten gehouden. Uit de kijkgaten kwamen dan anders gekleurde vlammen. En juist die kleurverandering duidde op het gegeven dat het loodglazuur, waarmee sommige aardewerkprodukten waren bedekt, ‘gaar’ was. Welke grondstof werd nu gebruikt bij Jonker aan de Turfsingel? In een gemeentelijke verordening, die uit 1637 dateert, werd gesproken van drie soorten aarde: vulaarde (nodig voor het vul­len ofwel vollen van de in Gouda vervaardigde lakenstoffen), tabakaarde (voor de pijpmakers) en plateelaarde (in de praktijk meestentijds Keulse klei).
Het vollen had plaats in volmolens op de Veerstal en Nieuwe Veerstal. De plateelaarde werd door pottenbakkers gebruikt – meestentijds rode en grijze of bruine klei. De bruine klei werd door het bakken rood, de grijze leverde wit aardewerk op.
Oudtijds was Cornelis Jonker aan de Raam gevestigd, daarna volgde verhuizing naar de Turfsingel. Jonker zat aan de Raam bij de Kandeelsteeg, een straatje dat inmiddels al lang is vergeten. Toentertijd heette de firma nog K. en C. Jonker.
Het bedrijf behoorde tot het selectieve groepje van commerciële vernieuwers in Gouda. Want al spoedig na Goedewaagen ging ook Jonker ertoe over om stoom te gebruiken als hulpmiddel bij de fabricage.
Aanvankelijk gebeurde dat vooral bij de aandrijving van de zware kleimolens. De draaiers ble­ven aangewezen op handkracht – in dit geval: op voetkracht. Want zij moesten met eigen li­chaamsbeweging hun schopschijven in beweging (blijven) houden. Pas veel later werden electromotoren voor de aandrijving van schopschijven gebruikt.
De straatnaam Turfsingel houdt, maar dat zal nauwelijks verrassen, verband met het feit dat langs deze singel in vroegertijd vele schuren voor de opslag van turf stonden.
Die turf was vooral bestemd voor de garnizoenen. Het ging daarbij om turf die in de 17e eeuw werd gestoken in de omgeving van Gouda, in opdracht van de Staten van Holland, ofwel de landsregering. Maar zelfs in 1925 aan de Turfsingel, op de hoek van de Veerstraat, stond nog een turfschuur van brandstoffenhandel Dessing.
De singel, een vroegere stadsgracht (ooit aangeduid als de Cingel buiten de Dijcksepoort), bood een rechtstreekse verbinding tussen de IJssel en de Gouwe. De scheepvaart echter diende gebruik te maken van de Havensluis, bij het Tolhuis.
Dat was niet voor niets: De schippers van schepen die deze (langere) route namen, liepen daardoor zoveel tijdverlies op, dat ze royaal de tijd hadden om in de stad Gouda hun inkopen te doen. En omzet betekende winst.
Slechts voor speciale schepen met ontheffing – gecostumeerde vaerten – was het weggelegd om de korte route via de Turfsingel te nemen. Dat gebeurde als het om zaken van landsbelang ging. Voor die vaartuigen was het in een ommezien mogelijk om via de Mallegatsluis richting Gouwe te koersen.
Inmiddels heeft turf, in onze moderne aardgastijd, als brandstof al lang (vrijwel) afgedaan. De fabriek van Cornelis Jonker Zn. is geruime tijd terug afgebroken. De Goudse aardewerkin­dustrie ondervindt in toenemende mate hevige concurrentie vanuit Oost-Europa en andere lage lonen-landen.
De Turfsingel bestaat gelukkig nog wel. En langzamerhand komt er bij de Mallegatsluis, een heus open lucht-museum tot stand van drijvende monumenten. Daarbij gaat het ook om oude vaartuigen van het type, dat vroeger de klei naar Gouda bracht. En daarmee is in historisch opzicht de cirkel weer rond.