12 Gezicht op de Groote Sluis en de Beukmolen

rew up ff
IJssel
12

Gezicht op de Groote Sluis en de Beukmolen

Fotograaf Jacobus Hendricus de Louw richtte in 1876 zijn camera op de Mallegatsluis, en op de (toen nog bestaande) beukmolen, die langs de IJssel stond.
De opname behoort tot De Louw’s beste foto’s van Gouda. Het beeldvlak is fraai en evenwich­tig ingevuld en opgebouwd. De IJsseloever verloopt licht diagonaal. En het zware geboomte weerspiegelt zich in het IJsselwater, waardoor onderin de foto als het ware een complement ontstaat op het bovenste deel.
Hieruit blijkt maar eens te meer dat goede foto’s niet per definitie ontstaan met een goede ca­mera – maar dat het vooral op degene aankomt die de camera hanteert. Het oog en de verbeel­dingskracht van de fotograaf zorgen voor een boeiend eindresultaat.
De door De Louw in beeld gebrachte Mallegatsluis bestaat nog steeds, al doet dit nautisch kunstwerk nu veel minder dienst dan in zijn tijd.
Immers, aan het einde van de jaren dertig in onze eeuw kwamen de Julianasluizen gereed, die de scheepvaart over de IJssel in staat stellen om een stuk van de IJssel ‘af te snijden’. Daardoor kunnen schepen nu via het Gouwe-stroomkanaal rechtstreeks naar de Gouwe varen. De schepen behoeven dus niet meer de flessehals van de Mallegatsluis te nemen, compleet met Turfsingel (met geringe diepte) en de brug bij het Bolwerk.
Ook de beukmolen aan de Veerstal bestaat niet meer. Het bouwsel, dat oudtijds op de kruin van de dijk stond, is lang geleden gesloopt.
Aanvankelijk ging het om een volmolen, waarmee de lakens werden ‘gevold’. Dat proces bestond uit het vullen van het weefsel met een ‘pap’, die de stof meer stevigte geeft. De stampers van de molen werden door waterkracht aangedreven.
Daarna werd de molen omgebouwd voor het beuken van vlas, ten behoeve van de touwspinne­rijen. Maar ook die tak van nijverheid – waaraan de naam van de ‘Garenspinnerij’ nog een herin­nering is – verdween uit Gouda. Daarom werd de beukmolen, die al lang geen dienst meer deed maar al was ingericht tot een bergplaats voor benodigdheden voor de scheepvaart, gesloopt. De opbergruimte was toen al geruime tijd in gebruik bij N.V.Endenburg.
Overigens lag tot de 16e eeuw de sluis tussen IJssel en Turfsingel elders – op een plek, die zich 50 meter ‘dichter’ bij de Haven bevond.
Maar in 1577 kwam de ‘nieuwe’ Mallegatsluis op de huidige plek tot stand. Dat gebeurde op aandringen van prins Willem I. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden stemden met zijn wens in. Prins Willem wilde dat ‘oorlogsschepen’ zich snel door Holland konden verplaat­sen.
Het gemeentebestuur van Gouda wist echter te bedingen dat door deze Goudse sluis uitsluitend oorlogsschepen en schepen met krijgs- en mondvoorraden mochten passeren. Die beperkte openstelling voor ‘ gecostumeerde vaerten’ zou nog lang van kracht blijven.
Het idee erachter was niet zo gek – gezien vanuit de stedelijke belangen van Gouda. Immers, schepen die bij het Tolhuis dwars door de stad voeren, moesten als barrière de ‘Donkere Sluis’ nemen – achter de huidige Gokhal, tussen Buurtje en Wijdstraat. Dat betekende langdurig oponthoud. Oponthoud dat voor de plaatselijke middenstand geld opleverde. Immers, de opva­renden gingen tijdens dat wachten in de stad hun inkopen doen – waaraan de gemeente veel inkomsten ontleende.
De ‘beperkte doorvaart’ door de Turfsingel was dus wel veel korter, maar leverde nauwelijks nering voor de stad op; vandaar slechts de uitzondering voor krijgsschepen.
Pas in het jaar 1598 werd die beperking opgeheven, en mochten ook ‘gewone schepen’ buitenom. Maar dat gebeurde pas na herhaaldelijk aandringen van de gemeentebsturen van Rotterdam en Amsterdam – die voor hun verbinding-over-water in belangrijke mate van Gouda afhan­kelijk waren.
Maar ook toen bleef Gouda nog wel dwarsliggen. Want de schipper, die buitenom via de Turfsingel voer, moest eerst hoogstpersoonlijk een consent (ofwel: doorvaartvergunning) op het Goudse stadhuis halen. En ten tweede mocht hij pas op z’n vroegst 36 uur na aankomst in Gou­da doorvaren.
Bovendien waren er aan dat fel begeerde consent kosten verbonden. Dat geld kreeg overigens wel een mooi doel: het werd besteed aan de armenzorg. De gemeente Gouda bekostigde uit dit consentgeld het gehele Aelmoeseniershuis, dat het stadsbestuur op die manier geen cent kostte!
Tot 1760 deed de oude Mallegatsluis trouw dienst. Toen was het bouwsel zo slecht geworden, dat nieuwbouw noodzakelijk bleek. Wie nu de sluis bekijkt, ziet dan ook dat in de wand van de schutkolk, aan de stadszijde, nog een fraaie steen aan die (her)bouw herinnert.
Oudere Gouwenaars zullen zich nog herinneren dat op de grens van de schutkolk en de Turfsingel vroeger een ijzeren hefbrug heeft gelegen. Die verdween in 1941 en werd overgebracht naar de wijk Korte Akkeren – om te worden neergelegd tussen de Wachtelstraat en het Jaagpad. Daar heeft de brug nog tot 1990 dienst gedaan. Toen bleek de constructie zo verzwakt, dat hij moest worden verwijderd. Ter plaatse ligt nu een smal voetgangersbrugje.
Op initiatief van Unichema Chemie kwam tussen het Buurtje en de Bogen, eveneens in 1990, weer een brug(je) terug. Daarmee werd ook op dat punt een traditie in ere hersteld.
Zelfs de scheepvaart moet terugkomen – al was dat alleen maar in de vorm van het binnenha­venmuseum, een nobel streven van de initiatiefgroep ‘Gouda, Havenstad’.