18 De Haven

rew up ff
De Haven 2
18

De Haven

Ruim een eeuw geleden installeerde de toentertijd in Gouda actieve fotograaf Henri de Louw zijn loodzware platencamera op de Uiterste Brug, tegenover de Minderbroedersteeg, en maakte een opname richting Noodgodsbrug.
Dat het hier om een van de ouste stukjes Gouda gaat, blijkt wel uit het feit dat de naam Haven al in het jaar 1338 wordt genoemd in de regestenlijst van het Weeshuisarchief. Zoals de naam al aanduidt, ligt die brug over de Haven tussen Lange en Korte Noodgodsstraat. De naam verwijst naar het feit dat tot 1578 tussen de plek van het (voormalig) postkantoor en wallekant van de Haven een kapel stond, die was gewijd aan Maria, door katholieken gezien als voorspreekster bij haar zoon Jezus Christus, en aangeroepen in tijden van nood.
De kapel stond op die opvallende plek bij het water, omdat hij veel door passerende schippers werd bezocht, die in Maria hun patrones zagen. Een oud verhaal wil zelfs dat Maria in Gouda lijfelijk is verschenen. De weerspiegeling van haar lichtende gestalte werd eeuwen geleden in het water van de Haven gezien. Maar een echt Maria-bedevaartsoort is Gouda nooit geworden. In de inventaris van het Oud-Archief van Gouda wordt de Nood-Godsbrug al in het jaar 1687 genoemd – al lag er tevoren op die plek een toogbrug.
In 1686 werd het oude toogbruggetje vervangen door een houten brug. Aanvankelijk zou er een brug met ‘ opspringende deuren’ worden gemaakt. Maar al snel koos men voor een nieuw ont­werp, en werd een ophaalbrug geïnstalleerd, die ook wel valbrug werd genoemd. Een eeuw later, in 1787, werd die oude houten brug vernieuwd. Weer een eeuw later, in 1887, besloot men tot het realiseren van een ijzeren basculebrug met twee kleppen. In 1938 was het tenslotte de beurt aan de brug, die nog steeds het stadsbeeld siert. Aardig detail is dat in de stenen brugleuning een bronzen reliëf is aangebracht, gemaakt door de Goudse kunstenaar Cor (de) Jong, dat herinnert aan de vestigingsplek van de Noodgodskapel. De pla­quette werd daar aangebracht op initiatief van dr.J.G.W.F.Bik (t), ere-voorzitter van oudheidkundige kring ‘Die Goude’. Hij was het, die aan de hand van oude archiefgegevens de precieze vestigingsplek van de Noodgodskapel wist aan te geven.
Waterbouwkundig onderlegde historici hebben ooit uitgemaakt dat de Haven vermoedelijk al in de 14de eeuw werd gegraven – om een directe en dus betere verbinding te vormen tussen de Gouwe en de Hollandsche IJssel.
Daarom is de Haven tamelijk recht van loop. Terwijl de oude Gouweloop ooit met een bochtje vanuit de Donkere Sluis, Achter de Kerk, langs de Spieringstraat via het huidige Houtmansplantsoen in de IJssel uitmondde.
Natuurlijk was de scheepvaart voor Gouda belangrijk: voor de welvaart van de burgerij – dankzij de nering, die de schepelingen in de stad brachten. Maar ook dankzij het feit dat de opvarenden tolgeld bij het passeren van Gouda moesten betalen.
Dat geld werd geïnd in het Tolhuis, dat op de hoek van de Haven/Veerstal, aan de oevers van de IJssel, werd gebouwd. Daar was de tolgaarder van de grafelijkheid Holland actief, die in later tijden werd opgevolgd door een ambtenaar van de Staten van Holland. Toen het Koninkrijk der Nederlanden in 1814 werd gesticht, werd besloten tot opheffing van de tol.
Wie in vroeger tijden aan de Haven woonde, behoorde tot de meest welgestelden van de stad. Recent verschenen studies over de stedelijke elite tonen aan, dat de rijkste Gouwenaars aan de Oost- en Westhaven, en aan de Hoge en Lage Gouwe woonden. De inkomensverschillen waren in vroeger tijden aanmerkelijk groter dan nu. Ook in Gouda (net als in Haarlem, Delft en vergelijkbare steden) was er een zeer kleine en tegelijkertijd zeer rijke toplaag, een niet om­vangrijke groep tamelijk welvarende inwoners, en een zeer groot aantal eenvoudigen cq. armen.
Naarmate de welvaart in Gouda toenam, werden ook de behuizingen aan de Haven luxueuzer. Vaak ging men ertoe over om twee of drie huizen samen te voegen – om de rijkdom nog meer te tonen. Het vroegere Kamer van Koophandel-gebouw aan de Westhaven (waar De Lange van Wijngaarden ooit woonde), het voormalige Henriëtta Hoffmanhuis aan de Oosthaven en het GGD-complex in huize ‘De Sterke Samson’ zijn daarvan nog overblijfselen. Datzelfde geldt voor de 17de eeuwse ‘nieuwbouw’ van Het Catharina Gasthuis, waarvoor destijds ook een reeks veel oudere kleinere panden moesten wijken.
Dat de Haven, waar men fris water in overvloed beschikbaar had, vroeger ook in trek was als vestigingsplaats voor bierbrouwerijen, blijkt wel uit het feit dat in de 16de eeuw alleen al aan de Oosthaven 36 brouwerijen waren gevestigd – een vijfde deel van het totale aantal Goudse brouwerijen. Nu herinnert alleen nog de huisnaam ‘Ossehooft’ aan de Westhaven aan dat alco­holisch verleden.