22 De Botermarkt

rew up ff
Botermarkt
22

De Botermarkt

Wie vandaag de dag over de Markt loopt, kan zich nauwelijks voorstellen dat op dezelfde plek ruim zeven eeuwen geleden Gouda’s vuilnisbelt lag: een moerassig stuk grond, waar de bur­gers hun haardas, groente-afval en kippenpoten stortten.
De Markt ligt ook nu nog steeds vrij laag. Wie een steen uit het plaveisel haalt, hoeft nauwelijks te graven om het waterpeil al te bereiken. Dat is ook de reden, waarom ooit voor moerascypres­sen werd gekozen als beplanting. Nu deze bomen zijn gerooid, en zijn vervangen door plata­nen, is de grote vraag of ze goed zullen gedijen in die drassige bodem.
In het lang vergleden jaar 1395 kocht het toenmalig Gouds stadsbestuur van graaf Jan van Blois ‘die polre int marctvelt’ aan.
Aan die koopdaad ging al een flink stukje stedelijke historie vooraf. Eerst was de prille kern van oud-Gouda in de polder Bloemendaal ontstaan – een groepje landontginners, dat het woeste land langs de IJsseldijk bewoonde, nadat afwateringssloten waren gegraven om het polderwa­ter onder controle te krijgen.
Die groep pre-Gouwenaars, om ze zo maar eens te noemen, beschikte al over een eigen (ka­tholiek) kerkje. Later kwamen ze tot de overtuiging dat het nabij de samenvloeiing van Gouwe en IJssel toch beter wonen was, en verhuisde men massaal naar de plek tussen de Haven en de Raam – waarbij het water van de Raam als ‘stads’-gracht werd aangehouden.
Toen de bevolking van de toenmalige ‘vlek’ Gouda groeide, en graaf Floris V uiteindelijk in 1272 aan Gouda stadsrechten verleende, werd de basis gelegd voor uitbreidingsplannen. Het zwaartepunt van oud-Gouda verschoof min of meer van het gebied Haven/Raam naar de richting Gouwe/Achter de Vismarkt/Markt. Precies om die reden werd het op den duur nodig dat het braakliggend stuk moeras werd opgenomen in de stedelijke structuur. Daarom werden eerst, na aankoop van het moeras, in de jaren veertig van de 15de eeuw, drainerings-sleuven gegraven om de grond ‘droog’ te krijgen. Vervolgens werd er bouwafval gestort, ondermeer afkomstig van de stadsbranden, die zich tevoren – in 1368 en 1438 – hadden voorgedaan.
Kort daarna kon de bouw van het stadhuis beginnen – een laat gotisch gebouw, dat er in grote trekken nog steeds hetzelfde uitziet, als vandaag de dag – al zijn er natuurlijk diverse tussentijdse aanpassingen, opknapbeurten en restauraties geweest.
Als fundering werd destijds gekozen voor een reusachtig vlot van eiken balken, die – drijvend op de moerassige ondergrond – het gewicht van het Goudse stadhuis torsen. Pas in onze eeuw, in de jaren vijftig, werd een nieuwe fundering van betonnen palen onder het stadhuis de grond in ‘gedreven’.
De diverse kanten van het waaiervormige marktplein hadden oudtijds verschillende namen. Zo was er sprake van de Buttermarkt of delle (afgeleid van het oudhollandse woord dal), van de Regenboog, en van de Coeystrate . De naam Botermarkt werd gehanteerd voor het deel tussen de Korte Tiendeweg en de Kerkstraat.
In mei-1881 richtte fotograaf Henri de Louw zijn lens op dit gedeelte van de Marktbebouwing. Het blijkt dat er toentertijd al diverse winkels waren gevestigd, maar ook nog een flink aantal woonhuizen. En ook dat is hedentendage niet goed meer voor te stellen: een huiskamer aan het Markt-trottoir.
Toch, wie nu de bovengevels van de panden aan de zuidoostkant van de Markt bekijkt, kan er nog vele van herkennen. Want meestentijds werd alleen de benedengevel veranderd ofwel ‘gemoderniseerd’, zoals het verhullend taalgebruik wil. Zakenlieden en de gemeente Gouda deden hieraan mee – zoals helaas nog werd’ aangetoond bij het voormalig politiebureau aan de Markt.
Opvallend gegeven is dat, nu vrijwel alle interessante benedengevels uit het Goudse centrum zijn verdwenen, de stedebouwkundige van de gemeente alsnog kwam met een voornemen om ‘waardevolle puien’ voortaan te gaan sparen cq beschermen. Een wat laat besluit, zo lijkt het. De gevel van juwelier C.G. de Vooys is nog gaaf bewaard gebleven; die dateert uit het jaar 1603. Ook de bovengevel van café ‘de Tapperij’ ademt nog de sfeer van vroeger.
Aan de Botermarkt zaten vroeger bekende middenstandszaken. Namen als C.C.Krom/ V.d.Land (verf en glas), K.Petit (herenkleding) en H.P. Olifiers (goud en zilver) zijn bij velen be­kend. Dat geldt ook voor de namen van J.C.Bijl/vh J.Breebaart Lzn (banketbakkerij), J.J. van Bemmel (huishoudelijke artikelen) en J.H. de Roode (kleding).
Breebaart had aan de gevel een metersbreed bord ‘Goudsche Spritsen’ hangen, terwijl aan de gevel van C.C.Krom een bord hing met als tekst: Verfwaren, drogerijen en vensterglas. In het begin van de eeuw zaten aan de ‘Botermarkt’-zijde van de Markt ook winkels van (toen al!) Bahlmann & Co (dameskleding), wed.A.Pino (herenkleding), C.F. Busch (stoffen), J. van Dantzig (kleding), J.J. van der Sanden (koek en banket), H.J. Spaas & Co/vh gebrs. Claassen & Co (stoffen), F.Stroeve (huishoudelijke artikelen en speelgoed) en C.A.B.Bantzinger (heren-mode). Een nazaat van deze Bantzinger zou nog beroemd worden als tekenaar van Elseviers magazine. Op de hoek van de Botermarkt en de Korte Tiendeweg zat een café, opgevolgd door het sigarenmagazijn van J.Peeters.
Wat er echter in al die jaren ook is veranderd, één aspect is gebleven: het machtig silhouet van de Sint Jan – langste kerk van Nederland – die als een stenen sphinx de Markt lijkt te bewa­ken.