23 De Haven

rew up ff
Markt 3
23

Markt en Hoogstraat

De verwoestende werking van winkelverbouwingen is goed te zien op de ‘actuele’ foto van de Markt, richting Hoogstraat.
Vormden in 1881, het jaar waarin Henri de Louw de oude foto maakte, de huizen in dit deel van de Goudse binnenstad vrijwel alle een geheel, en was dus het benedenhuis een logische eenheid met wat daarboven zat – dat beeld is sedertdien ingrijpend gewijzigd.
Naar de waan van de dag zijn in het centrum benedenpuien verbouwd, ‘gemoderniseerd’ (of wat daarvoor door moest gaan), en gesloopt.
In tegenstelling tot andere oude Hollandse steden is aan bescherming van benedenpuien in Gouda vrijwel niets gedaan.
Zo kon het gebeuren, dat op de Markt nr 72 zelfs de allerlaatste authentieke gevel – notabene eigendom van de gemeente Gouda – werd gesloopt, omdat zulks voor de huurder aantrekkelij­ker zou zijn…
Op de oude foto is nog wel van veel authentieks te genieten.
Blikvanger is café Belvédère, tot voor kort gedreven door de bekende horeca-ondernemer W.Hoppenbrouwer, op de hoek van de Markt en de Hoogstraat. Het pand staat dwars en heeft nu in grote trekken nog hetzelfde uiterlijk als vroeger het geval was – alleen de dakramen en de erker zijn toegevoegd.
Opvallend is dat zowel op de oude als op de nieuwe foto de toren van de O.L.Vrouwe Hemelvaart-kerk ontbreekt. Op de oude, omdat het godshuis in 1881 nog moest worden ge­bouwd – op de nieuwe, omdat in de jaren vijftig van deze eeuw de kerk werd afgebroken om plaats te maken voor het winkelcomplex van C&A, Hij en Blokker.
Eveneens opvallend is de rust op de Markt: geen auto’s, geen uitstalling van waren, geen voet-gangers of fietsers. En (zelfs) geen bomen.
Op de nieuwe foto is de Marskramer, gevolgd door de Etos-drogisterij, nadrukkelijk aanwezig. Oudtijds was op die plek Het Herthuis gevestigd. Toen heette dat gedeelte van de Markt nog de Koestraat.
Het Herthuis was oudtijds een herenlogement en later ook een koffiehuis – een voorloper dus van een moderne horeca-onderneming annex herenclub. Het Goudse stadsbestuur ontving in dit pand zijn belangrijke gasten. Zo is er nog een rekening uit het jaar 1573 bewaard, die aangeeft waarop jonkheer Adriaan van Swieten, de eerste oran­gistische gouverneur van de stad, zijn gevolg onthaalde.
Het eindbedrag was niet minder dan 618 pond – volgens de huidige standaard circa 35 à 40 mille! Maar ook prins Willem II werd in 1642 met zijn jonge bruid in het Herthuis op een maaltijd onthaald. En de befaamde Hugo de Groot mocht ook op hetzelfde adres een vorkje prikken. Het vrouwelijk schoon werd op dat adres werd eveneens door de cliéntèle gewaardeerd. Want in 1624 dichtte de bekende Starter de volgende tekst: ‘0, soete hartjes, schoon en kuys – die den dienst bedient in het Hartenhuys’…
Die poëtische ontboezeming heeft het pand niet van sloop weten te redden. In (veel) later tijden betrok firma Lijnkamp het pand, gevolgd door de Marskramer en Etos.
Op de plek waar Albert Heijn zijn supermarkt heeft, waren vroeger vier verschillende panden, achterhuizen en schuren gevestigd.
Volgens oude archiefstukken woonde op dit adres in het jaar 1615 ene Aert Jobzoon Gansen­burch. Later vestigde zich in dit huis Maerten Reinierszoon Schoonhoofsman, schepen en vroedschapslid. In die tijd hoorde bij het huis ook een oliemolen.
In 1672 ontving Johan van Hoorn, stadswachtmeester, bij verkoop de som van f 3800,- voor het pand. Maar in 1696 was de prijs tot 1400 gulden gedaald. Aan het einde van de achttiende eeuw was de oliemolen afgebroken en werd op die plek een hekelschuur gebouwd, eigendom van de familie Spit – later: firma Spit & van Catz, nog later: de Goudsche Machinale Garenspine­rij.
In de afgelopen eeuw gebruikte broodbakker Bastiaan van Gastel de tot een eigendom samen-gevoegde vier panden. Zijn weduwe verkocht ze in 1891 aan banketbakker Cornelis van Leeu­wen, die ze op zijn beurt in 1912 verkocht aan koopman Albert Heyn uit Zaandam. In 1939 verrees de gevel, zoals die nu nog te zien is.
In ‘Belvédère’, althans in het pand dat destijds op die plek stond, kwamen al in het jaar 1615 de leden van de Goudse rederijkerskamer ‘de Goudsbloem’ bijeen.
Omdat de huur voor de Goudse dichters vrij hoog was, vroegen zij aan Gouda’s burgemeester en wethouders geldelijke steun. Natuurlijk gebeurde dat geheel in stijl, en dus in dichtvorm. Het Gouds stadsbestuur, toentertijd best in voor een grapje, antwoordde prompt – ook op rijm. Beide gedichten zijn in het gemeente-archief nog te vinden. ‘De Goudsblom’ bleef tot 1685 in Bel­védère gevestigd. Voor die plek was gekozen, omdat de aanvankelijke plek van samenkomst
de nu tot het museumcomplex behorende voormalige Gasthuiskapel – niet kon worden ver­warmd. En in de kou is het slecht dichten.
In de daaropvolgende achttiende eeuw liep het enthousiasme wat terug. Pas tijdens de Franse evorheersing was er sprake van een tijdelijke opleving voor de rederijkers. Maar allengs liep de animo terug.
Inmiddels wacht te Goudse Rederijkers-geschiedenis op een nieuwsgierig historicus, die de kleurrijke belevenissen van ‘de Goudsblomkens’ en andere rederijkers op schrift zet. ‘Belvédè­ro’ zal daarbij dan ongetwijfeld een belangrijke plaats innemen.