47 Bordes Stadhuis

rew up ff
Stadhuis 2
47
Bordes van het stadhuis (2)“Tot in het jaar 1603 vinden wij, dat zich een open voorpui of bordes bij de voorgevel van het stadhuis bevond. Men ging van weerszijden de trap op – met vier rood geverfde leeuwen, even zovele wapens vasthoudend, en geplaatst boven de leuning, maar op kolommen rustend. Deze omklemden met een der poten nog daarenboven een piek, waaraan vlaggetjes wapperden met het wapen van Holland, van Gouda en met dat van de graaf en de gravin. In 1603, hetzelfde jaar, is er een geheel nieuwe opgang gemaakt, met het baldakijn of verhemelte daarboven, zoals dit hedentendage nog aanwezig is.
Ziedaar de beschrijving van een toevoegsel dat zich van de andere onderscheidt door zeldza­me pracht van samenstelling en uitvoering. Men schreef toen trouwens 1603 – een jaar dat reeds deel uitmaakt van het mooie tijdperk onzer nationale bouwkunst, waaruit ook de Haar­lemsche vleeschhal dateert.
Men moge het het bejammeren dat de kunstenaars, die aan deze pui hebben gewerkt, niet el­ders een van het raadhuis onafhankelijk kunststuk van gelijke compositie hebben gemaakt, waardoor ons de vermoedelijk ook goede oorspronkelijke opgang bewaard zou zijn gebleven en althans het anachronisme, dat zich voornamelijk uit in de ongelukkige aanhechting met den gotischen voorgevel, zou zijn bespaard. Doch op zichzelf beschouwd is deze pui een meesterstuk dat deze bezwaren voldoende bezweert. Niet zo is het gesteld met de veranderingen, die men in de jaren 1690 en 1691 ondernam en die, volgens onze begrippen, waarbij aan elke stijl recht wordt gedaan, mits er van een stijl sprake kan zijn, en niet van manier, smaak of mode, meer een catastrofe voor het Goudse raad-huis is geweest dan eene verbetering – zoals historieschrijver Ignatius Walvis, als kind van zijn tijd, heeft gemeend.
Aan architectonische doorsnee-tekeningen is duidelijk afleesbaar, tot welke ingrijpende veran­deringen men toen overging. De brede zwaar getinte ruimte op de tekeningen tussen vloer en plafonds duidt genoegzaam aan hoeveel men toen offeren durfde aan conventionele begrippen van maat en verhouding, die in de Renaissance van het einde der 17de eeuw werden gehul­digd.
De gehele voorhal op de eerste verdieping, als ook de raadzaal, burgemeesterskamer, vestibu­le en enige andere ruimten doen in hun tegenwoordige staat nog geheel de geest van die tijd herkennen.
Dat de gevels door deze inwendige veranderingen ook veel te lijden krijgen, spreekt vanzelf. Dat geldt ook voor de vele toegemetselde lichtopeningen, het weghakken van de traceringen daaronder en daarboven, het ophogen der borstweringen, de nuchtere kroonlijsten, de geheel gewijzigde topgevel aan de achterzijde. En last but not least de schande-bedekkende pleisterlaag, waardoor de bakstenen toemetselingen aan het oog werden onttrokken. Dat alles laat hieromtrent geen twijfel over.
Op speciale tekeningen van de zijgevel zijn in het jaar 1896 zijn alle sporen van veranderingen vastgelegd – zoals deze aan het licht zijn getreden nadat, na de restauratie van de voorgevel, deze pleisterlaag werd gegenomen.
Andere tekeningen tonen de toestand aan zoals deze was vóór de restauratie – met andere woorden zoals deze door de veranderingen van 1690-1691 in het leven werd geroepen. Vermoedelijk zijn echter de twee beelden in de nissen van de voorgevel, welke men op deze tekeningen (en op de vroegste foto’s die van het Gouds stadhuis werden gemaakt) ziet, en die bij de restauratie weer zijn verwijderd, al na de afzwering van de koning van Spanje geplaatst. Deze beelden stelden de Voorzichtigheid en de Standvastigheid voor. Terwijl boven de ingang van het Gouds stadhuis de spreuk werd geplaatst ‘Audite et alteram partem’ (Hoort ook de te­genpartij).
Vroeger vond men daar twee andere beelden – van Karel van Bourgondië en van zijn gemalin. Terwijl een Maria-beeld achter traliewerk aanwezig was op de plek waarvoor een grote lantaarn hing.
De gehele voorgevel was trouwens ruimschoots met beelden ontworpen. Die beelden zijn ech­ter nooit geplaatst, met uitzondering van de hierboven genoemde. Al de nissen en de tussen de top-pinakels geplaatstste voetstukken bij elkaar optellend, ontdekt men dat het in het oor­spronkelijke plan lag de voorgevel met niet minder dan 12 beelden op te sieren.

En dat alles in een tijd van geldnood, door oorlogen en andere oorzaken. Hierbij denkt men onwillekeurig aan de zuinigheid, die thans allerwege door de gemeenteraden wordt betracht bij hun bouwwerken in een tijd van zestigjarigen vrede”.