48 NW zijgevel Stadhuis

rew up ff
Stadhuis 3
48

Zijgevel van het stadhuis

„Wie waren de bouwmeesters ofwel architecten van het Goudse stadhuis?
In het Goudse historie-boek van de geschiedkundige Ignatius Walvis (anno 1713) staan ge­noemd: Henrik Aelbrechtsz., Louis Gerbrandsz., en Claes Huygensz.
Vermoedelijk waren zij meesters metselaar en timmermeester, die ook in België hadden gewerkt, als ze al niet vandaar afkomstig waren. Nergens is in het stadhuis een steen te vinden, waarin de namen van deze meesters staan gebeiteld. Volgens onbevestigde berichten zou ene Jan Kelderman, mogelijk uit Mechelen afkomstig, de architect van het stadhuis zijn. De juist­heid van dit gegeven blijft in nevelen gehuld.
Over de restauratie van de voorgevel van het stadhuis sprekend, is het informatief een om­schrijving over te nemen, die door een bevoegde hand is gemaakt.
Het gaat om de beschrijving van het restauratiewerk, dat hierna volgt, zonder commentaar. Daarbij wordt telkens vermeld, wat in een bepaald restauratie-jaar is voorgevallen. ‘Geschiedenis van de restauratie van de stadhuisgevel te Gouda’.
1876.
Toen in het jaar 1876 aan de voorgevel van het stadhuis belangrijke herstellingen nodig bleken te zijn, rees bij velen de wens dat men zich niet tot de hoogstnodige reparaties zou bepalen, maar tot een gehele restauratie van het gebouw zou overgaan. Daar echter de geldmiddelen van de gemeente Gouda, de belangrijke uitgaaf die daartoe nodig zou zijn, niet toestonden, besloot de gemeenteraad de ondersteuning van de hogere overheden in te roepen.
Nadat de minister van Binnenlandse Zaken persoonlijk, vergezeld van de referendaris, chef der afdeling ‘Kunsten en Wetenschappen’, jhr.mr.Victor de Stuers, een onderzoek was komen instellen, verklaarde zijne excellentie zich bereid tot het verlenen van ondersteuning. Dat gebeurde in dier voege, dat de som, welke de restauratie meer zou kosten dan het bedrag van f 1700,- dat voor het herstel der bestaande gebreken nodig werd geacht, in verschillende termijnen van Rijkswege zou worden verstrekt – terwijl aan de subsidie de voorwaarde werd verbonden, dat de herstellingswerken door de Rijksadviseurs voor de Monumenten van Geschie­denis en Kunst moesten worden goedgekeurd.
De gemeenteraad nam deze voorwaarde aan, zodat weldra met het restaureren van de voorge­vel van dit merkwaardige gebouw een begin kon worden gemaakt.
Inmiddels moesten ter voorkoming van ongelukken enige maatregelen worden genomen. Een zeer solide steiger werd voor de voorgevel geplaatst, een gedeelte gevaarlijk muurwerk werd weggebroken en de leibedekking van de twee torens, die men dacht te kunnen behouden, wer­den hersteld.
1877.
Met de restauratie kon niet naar wens worden voortgegaan. De subsidie, door het Rijk verleend voor de in 1877 te verrichten werkzaamheden, moest slechts dienen voor de vernieuwing van het oostelijk arkeltorentje van de voorgevel. Dit werk werd aanbesteed, maar de inschrijvings­sommen overtroffen de raming. Het arkeltorentje werd afgebroken, omdat instorting werd ge­vreesd. De rijksadviseurs vonden geen vrijheid om de gunning van het werk aan te raden. Zij kwamen tot het besluit in een volgend jaar een groter gedeelte van de voorgevel aan te besteden en het bestek met de tekeningen daartoe gereed te doen maken.
1878.
Wederom ondervond de restauratie vertraging. Het voornemen om in de loop van het jaar een belangrijk gedeelte aan te besteden, waartoe het bestek en de tekening gereed waren, kon niet doorgaan.
De door het Rijk over dit jaar verleende subsidie was te gering om het werk met kracht aan te vangen en voort te zetten.
Met toestemming van de minister van Binnenlandse Zaken werd slechts de nodige steen aangekocht voor de herstellingen, omschreven in de bestekken, die door de regering waren goedgekeurd – in de verwachting dat in 1879 de subsidie zoveel zou bedragen dat de uitvoering der bestekken aan een kundige aannemer zou kunnen worden opgedragen.

De hoeveelheid benodigde St.Joirestaan, 66 kubieke meter, werd tegen een prijs van f 65,- per kubieke meter, dus voor f 4290 geleverd door de heren De Haan en Avis te Amsterdam. Aangezien de door de regering aangevraagde gelden voor de herstellingen der Monumenten van Geschiedenis en Kunst door de Tweede Kamer der Staten-Generaal niet waren toege­staan, moest een nadere belissing der wetgevende macht in deze zaak worden afgewacht.