50 Stadhuis

rew up ff
Stadhuis 4
50
Portret van het stadhuis

1879.
,,Nadat door de afgetreden minister van Binnenlandse Zaken was te kennen gegeven, dat op een rijkssubsidie boven het door de regering toegekende bedrag van f 7090,- niet meer kon worden gerekend, besloot de gemeenteraad zich te wenden tot de Tweede Kamer der Staten-Generaal met verzoek het stadhuis van Gouda op te nemen in de wet met betrekking tot instandhouding van gebouwen, die geschiedkundige en kunstwaarde hebben. Daarvan werd het ontwerp haar door de regering aangeboden.
Het optreden van een nieuwe ministerie had de intreking van dit wetsontwerp ten gevolge. De daarna fungerende minister van Binnenlandse Zaken gaf kort na zijn optreden de toezegging dat uit de gelden, voor de lopende dienst bestemd, f 5000,- zou worden beschikbaar gesteld voor de restauratie van het stadhuis. Terwijl de minister tevens bij de begroting van 1880 een zelfde bedrag daarvoor aanwees. De Kamer wijzigde echter de uitgetrokken begrotingspost zodanig, dat zonder nadere beslissing van de wetgevende macht verdere subsidiëring van de regering vooralsnog niet was te verwachten.
De voortzetting van de restauratie van de voorgevel had voorzeker met kracht kunnen worden ondernomen, ware niet de tijd in afwachting van de zekerheid of voor het vervolg op subsidie zou kunnen worden gerekend, zover was gevorderd, dat het ongunstige seizoen intrad. Daarmee moest de aanvang der werkzaamheden worden opgeschort.
De aangevoerde steen, voor de restauratie benodigd, werd voorlopig onder houten luifels aan de oostzijde van het stadhuis opgeborgen.
1880.
Dankzij de beslissing van de wetgevende macht, waarbij de regering werd gemachtigd voor de restauratie van de voorgevel van het stadhuis subsidie te blijven verlenen, kon het werk worden voortgezet.
In de daarvoor gemaakte loodsen bij de bergplaatsen van de steen werden de steenhouwwer­ken voor de beide arkeltorentjes, het ondergeelte van de grote toren en het daarbij aansluiten-de werk van de voorgevel gereed gemaakt. Dat gebeurde teneinde in 1881 de arkeltorentjes en het daartussen liggende gedeelte van de gevel verder af te breken en opnieuw op te bou­wen.
Het werk is, nadat de heer I. Gosschalk, architect te Amsterdam, zich van verdere bemoeiingen had teruggetrokken, uitgevoerd onder leiding van de heer C.C.Hezemans, architect te ‘s-Herto­genbosch. Terwijl het dagelijks toezicht en de uitvoering daarover waren toevertrouwd aan de gemeente-bouwmeester L.Burgersdijk, die ter zijde werd gestaan door de dagelijkse opzichter J. van Gent.

Het bewerken der steen- en beeldhouwwerken, aangenomen door de heer H.J. Troupen, steen-houwer te ‘s-Hertogenbosch, voor f 9150,-, werd op tijd, naar gelang der verordeningen, uitge­voerd.

Restauratie van het Stadhuis – slot

Architect W. Kromhout Czn schrijft over de restauratie-aanpak van het stadhuis, ruim een eeuw geleden, tenslotte het volgende:

1881
,,Aan de herstelling van de voorgevel van het Goudse stadhuis kon nu met kracht worden gearbeid. De beide arkeltorentjes, de bovenste verdieping met het ondergedeelte van de grote toren tot aan de loge en de rechtstanden der zes pinakels, en ook de bogen van de drie vensters van de middenverdieping, werden gesteld, aangemetseld en afgewerkt.
In de loodsen ging men voort met het gereedmaken van de verdere nodige steenhouwwerken voor de grote toren.
1882.
Nadat door de gemeenteraad was besloten om bij wijze van voorschot, door het Rijk in jaarlijk-se termijn te restitueren, de nodige gelden beschikbaar te stellen, kon de restauratie van de voorgevel met kracht worden voortgezet. De voorgevel werd voor het einde van het jaar vol­tooid. De kosten van de restauratie bedroegen tot 1 december 1882 f 37.418,64. In die som was door het Rijk al bijgedragen voor f 24.020,-.
1883.
De restauratie van de voorgevel was dus in 1882 teneinde gebracht. Het afbreken van de stei­gerwerken had steeds naar gelang der vorderingen van het werk plaats gehad, en tot de gehele opruiming van de steigerwerken en loodsen kon nu worden overgegaan.
De regering achtte evenwel, overeenkomstig het gevoelen van de rijks-adviseurs, die het werk hadden opgenomen, nog het aanbrengen van nieuwe eikenhouten voordeuren en het verlagen van het trottoir vóór de pui nodig. Met een en ander werd in het laatst van het jaar een begin gemaakt. Aangezien het voornemen meer en meer veld won om bij latere gunstiger financiële toestand de beide zijgevels en de achtergevel te restaureren, werden deze van de verflaag ontdaan. Daardoor bleek dat bij de wijzigingen, die in de oorspronkelijke toestand waarschijnlijk in het laatst der 17de eeuw zijn gebracht, de aanvullingen slechts met gebakken steen hadden plaats gehad. Wilde men tot restauratie van deze gevels overgaan, zouden deze door natuursteen moeten worden vervangen.
Een algemeen schetsplan voor deze restauratiewerken werd opgemaakt, waarbij de inwendige toestand van het gebouw in het oog is gehouden, die nu, hoewel beter kan worden verlangd, toch voldoende voor de dienst is ingericht.
1884.
De nieuwe eikenhouten deuren werden aangebracht. Zij werden na vele besprekingen en na het opmaken van verschillende tekeningen, naar een overeengekomen plan met toebehoren gemaakt door J.Goossens en Zoon te ‘s-Hertogenbosch, voor de som van f 607,72. Ook kwam de verlaging van het trottoir vóór de pui gereed. Hiermee was de restauratie van de voorgevel afgelopen. Zij kostte f 38.429,64. In die som, volgens de overeenkomst in 1876 aangegaan, is door het Rijk bijgedragen f 36.125,30 en door de gemeente f 1700,-, terwijl een bedrag van f 604,34 is gevonden uit de verkoop van oude materialen, uit de afbraak afkomstig, alsmede van de gebruikte gereedschappen etc.
De beide zijgevels en achtergevel bleven in dezelfde toestand. Met de restauratie daarvan kon geen begin worden gemaakt, aangezien de onderhandelingen daartoe niet tot een gewenst re­sultaat hadden geleid.
Het leien dak aan de westzijde van het stadhuis vereiste echter dringend vernieuwing, waartoe door de gemeente werd besloten.
Dit leien dak met de vernieuwing van de loodbekleding, in het openbaar aanbesteed, werd aan-genomen door J.Huisman te Rotterdam, voor de som van f 844,- gulden.
Tot aanvulling van het voorgaande zij nog meegedeeld, dat door dr.P.J.H. Cuypers bij verschi­lende gelegenheden van advies werd gediend. Wie het stadhuis kent in zijn nieuw voorkleed, zal deze restauratie als een winst beschouwen voor onze vaderlandse bouwkunst. Hoofdzakelijk is dit te danken aan de uitstekende leiding van de heer Hezemans, in vereniging met de stads-bouwmeester, de heer Burgersdijk, als technisch uitvoerder. Terwijl uit de ge­schiedenis van de restauratie blijkt, dat jhr. Victor de Stuers niet weinig de stuwende kracht is geweest, waardoor deze restauratie is mogelijk geworden.
Deze beschrijving mag niet eindigen, zonder de welwillendheid van de burgemeester van Gou­da, de heer Martens, te herdenken – die door het tijdelijk afstaan van alle gegevens, op deze restauratie betrekking hebbend, de arbeid niet weinig heeft verlicht”.
Zo eindigde de Amsterdamse architect W. Kromhout Czn zijn restauratie-verslag in december-1896.
Wie vandaag de dag het Goudse stadhuis in volle glorie ziet pronken, kan bewondering voelen voor het vele werk dat bijna een eeuw gelden werd verricht en waarvan de huidige generatie nog kan genieten.